skip to main |
skip to sidebar
All night on the beach till the break of dawn. Welcome to Miami. Buenvenidos a Miami.
Wat een gekke stad. En wat een gekke mensen. Het is mijn eerste ervaring met de States, dus voor hetzelfde geld is heel dat land compleet oele, en iets in mij zegt dat ik er niet ver naast zit.
Het begint al de eerste ochtend. Ik had me voorgenomen om al mijn eetgewoonten helemaal overboord te gooien en te eten zoals de Amerikanen. Dus, ontbijt bij Starbucks. Uit de toonbank vol marble cakes, cheese scones, cinnamon pies, en uiteraard donuts, kies ik een blueberrymuffin, samen met een large (de kleinste maat die er is) Americano Coffee. “So, you’re going for the healthty stuff”, antwoordt de vrouw achter de kassa wanneer ik mijn bestelling doorgeef. Ik kijk haar verbaasd en lichtjes wantrouwig aan. “Yes! Fruit and fibers! It’s really good for you!” Ik betaal, grijns nog even naar haar en maak me uit de voeten. Niet goed genoeg, zoveel is duidelijk. De volgende morgen ga ik maar rechtstreeks naar Burger King – daar stelt niemand vragen.
Na het breakfastfood ga ik naar de mall, want buiten (slecht) gegeten heb ik uiteraard ook goed en veel geshopt. Macy’s, Apple (kocht ik de laatste nieuwe nano – zéér hip), Victoria’s Secret, Donna Karan, Pink (een winkel met alleen maar roze spullen, hihi), Hugo Boss, Abercrombie & Fitch, Guess... Een kleine greep uit het overvolle aanbod. Mijn creditcards gaan van oververmoeid tot lichtjes mishandeld. Wanneer ik na twee dagen bijna niet meer op mijn benen kan staan (nu weet ik wat dat wil zeggen ‘shop till you drop’) en mijn nog niet gestorte maandloon er volledig heb doorgedraaid, ga ik maar wat anders doen. Een beetje cultuur opsnuiven.
Op naar downtown Miami, met de monorail tussen de skyscrapers door. Overal hangen Amerikaanse vlaggen en op elke hoek van de straat staat een police car. Op zich een hele belevenis, hoewel ik moet zeggen dat ik het centrum zelf een beetje zielloos vind. De skyline ziet er vanop een afstand veel indrukwekkender uit dan wanneer je er middenin zit. Het mondaine South Beach (SoBe zoals de Miamezen zelf zeggen) is dan veel leuker. Vooral Ocean’s Drive is bijzonder kleurrijk met z’n prachtige art-deco gebouwen, en ‘s avonds des te levendiger. Hier komt de jetset bij elkaar om (zeer dure) steak te eten en tot in de vroege uurtjes cocktails te drinken. Iedereen is er tot in de puntjes afgeborsteld. Vrouwen in prachtige designer-jurken, om ter hoogste stilleto’s, het haar perfect gekapt, en neuzen die verdacht veel op elkaar lijken. Vrij barbie-like, dat klopt, en ik voel me een beetje een sjofele trien tussen al die America’s next top models.
Dan maar back to basics en naar het natuurpark de Everglades. Over uitersten gesproken. Everglade City komt aardig in de buurt van het gat van Pluto: buiten een paar paalwoningen en een all-in-one tankstation/restaurant/bar/souvenirwinkel is er werkelijk niks. De Lonely Planet beschrijft het prachtig met een anekdote. De schrijver stapt het bovengenoemde etablissement binnen en vraagt wat er te doen is. “Eat.”, was het antwoord, “Or a boattrip in the Everglades”. Een goeie tip. Een beetje verder, aan de rand van het natuurpark, vaart een man met de toeristen door de mangroves. Hij heet Jack (hoe anders?), spreekt plat Amerikaans en is ontzettend hartelijk. Nog lang voor ik nog maar iets heb zien bewegen, wijst hij alle dieren al aan. Drie alligators zwemmen behoorlijk dicht voorbij het bootje. Adembenemend is het er. Zo groots. Zo stil. Een van die plekken die eraan doen herinneren hoe prachtig onze aarde wel niet is.
Een land van tegenstellingen. Dat maakt me nieuwsgierig. New York, Seattle, LA, San Fransisco, Chicago, Las Vegas… Ik wil het allemaal zien!
Met een schok word ik wakker. Mijn spieren zijn stram en ik voel dat ik heel erg moe ben. Ik heb een hele vreemde droom gehad…
Het is een rustige ochtend. Slurpend aan mijn hete, veel te sterke koffie, lees ik (nog niet helemaal wakker) mijn emails, wanneer plots de telefoon gaat . Mijn vader ligt in het ziekenhuis met een hartcrisis en moet dringend geopereerd worden. Mijn vader – een oersterke kerel, met levenslust voor tien. Het duurt even vooraleer de ernst van de situatie tot me doordringt, maar ik heb amper weer ingehaakt, of mijn ticket is al geboekt. Enkele uren later zit ik op het vliegtuig, direction Métropole.
Het is koud de volgende ochtend in Parijs. En druk. Maar het is altijd druk in Parijs. De stad die nooit slaapt. Door de menigte zoek ik me een weg naar Gare du Nord, om zo snel mogelijk de Thalys op de springen richting Belgie. Razendsnel in Brussel (op minder dan een uur en een kwartier zijn we er) en daarna verbazingwekkend traag naar Antwerpen. Zelfs met vertragingen doet de IC van de NMBS er minder dan de tergend lange drie kwartier over.
Op het perron van Antwerpen Centraal staat mijn broer me op te wachten. Met betraande ogen val ik in zijn armen, niet goed wetend of ik huil van blijdschap omdat ik hem na al die maanden terugzie, of van angst en verdriet. Het startschot van de emotionele rollercoaster waarvoor ik een driedagenpas heb gewonnen.
De komende dagen ben ik veel onderweg. 600 km in drie dagen tijd. Het valt me op hoe mooi Belgie erbij ligt. Zo netjes, zo geordend, zo vriendelijk en vrolijk. De mensen zijn beleefd, hoffelijk in het verkeer. Het lijkt wel één grote Disneywereld. Ik verwacht op elk moment dat de mensen zullen beginnen zingen, begeleid door het gekwetter van de vogels. En de zon schijnt. Heel even rust, tussen de drukte door.
Want druk is het zeker. Naast de ziekenhuisbezoeken, probeer ik zo veel mogelijk mensen te zien. Vooral familie, maar ook enkele vrienden. Verbazing, euforie, verdriet, spanning, blijdschap, angst. Alles komt aan bod. En de vertrouwde gezelligheid, wanneer ik ‘s avonds laat weer op de boot aankom.
Beelden flitsen door mijn hoofd. Heel vroeg (het is nog donker) op de trein van Antwerpen naar Brussel, samen met Yves. Afscheid op het perron van Brussel Zuid. Gelukkig, verdrietig, dankbaar. Alleen op het vliegtuig, direction Fort de France.
Ik wrijf in mijn ogen. Voel mijn hart kloppen. Was het echt, of was het gewoon een droom..?
Het is een prachige dag. Een dag zonder een wolkje aan de hemel, de zon schijnt volop. Acht uur ‘s ochtends en al ruim 28 graden. Ik heb vrienden op bezoek, en we willen iets leuks doen. De auto in, op naar het zuiden, vandaag gaan we bootje varen. Een zeilboot deze keer, beter nog, een catamaran.
Samen met nog een tiental andere vaarlustigen, stappen we aan boord van de ‘Elphis’, een parmantig schip met blauwe en witte zeilen. De kapitein is een zongebruinde man, met door het zoute water verweerde handen (en scheve tanden, maar dat nemen we erbij). Na een korte introductie, met enkele veiligheidsinstructies en de dagplanning, vaart hij ons de jachthaven van le François uit. Iedereen heeft er zin in.
Na een poosje varen, zet de schipper plots de motor uit, en laat nu alle zeilen op. Onmiddellijk vindt de wind haar weg, en duwt de boot met een ruk vooruit. Iedereen wordt er even stil van. We luisteren, ruiken, proeven. De zilte zeelucht, de schuimende golven die tegen de romp aanklotsen, het deinen op de stroming. We worden gedragen op de toppen van water, alsof we bijna gewichtsloos zijn, om dan weer met vrije val, in te beuken op de zee, die ons telkens weer met zekerheid en een onverwoestbare kracht opvangt.
En zo varen we, met ons bootje, naar verre landen, en voorbij de blanke stranden. We zien kleine onbewoonde eilandjes, sommigen met een enkel huisje. Af en toe houden we halt voor een duik in het heerlijke, bijna lauwe water. Het water is bovendien zo helder, dat we een school vissen meters onder onze voeten kunnen zien voorbij zwemmen. De omschrijving azuurblauwe zee is zonder twijfel hier uitgevonden.
We eten aan boord, reuzegarnalen en verse vis, nippen aan onze bekertjes koele rosé-wijn. We zwemmen, en varen weer verder, op naar de volgende horizon. Ver boven de boot vliegt een frégate, zwevend door de lucht, cirkelend op zoek naar iets lekkers, of gewoon genietend van zijn vrijheid.
Nog een laatste plons in het water, en dan het signaal dat de aftocht blaast. Iedereen weer aan boord. En daar lig ik dan. Op mijn buik, op de trampoline van de catamaran. Turend naar de golven, de vissen die voorbij zwemmen. De zwoele middagzon legt een warme gloed op mijn rug. In de verte is de haven alweer in zicht. Maar nu nog even niet. Nog even voel ik me als God op Martinique.
Vandaag is zondag saaidag. En zondag druildag bovendien. Belgisch weer op de Antillen. Geen flauw idee wat ik vandaag moet aanvangen. Een beetje sip zit ik achter mijn raam naar buiten te staren en te neuriën. Ik zit voor het vensterraam me onnoemelijk te vervelen. Ik wou dat ik twee hondjes was, dan konden we samen spelen. Ten einde raad neem ik alle boeken en folders die ik heb over Martinique erbij, en ga op zoek naar iets leuks én overdekt om te doen. Na een tijdje heb ik het gevonden: Vision Sous Marine. Helemaal in het zuiden van het eiland vaart er zo’n boot met een glazen bodem. Ideaal voor iemand als ik, die wel wil duiken, maar zonder haar haar nat te maken!
Een uurtje of wat later stap ik aan boord van de Aquabulle I. Na een eindje varen langs de kust, komen we aan bij de koraalriffen waar de meeste vissen zitten. We krijgen een foldertje met foto’s en de namen van alle zeebeesten die we kunnen tegenkomen. Aandachtig turend probeer ik de vissen te herkennen, maar pas nadat enkele kindertjes samen in koor ‘Sergent Major’ en ‘Chirurgien Bleu’ uitroepen, heb ook ik uiteindelijk door dat ze niet hun toekomstige carrierepad aan het bespreken zijn, maar dat ze het over de voorbijzwemmende vissen hebben. Het spelletje begint me al gauw te vervelen (voornamelijk omdat ik duidelijk niet kan winnen), en al kijkend naar al die krinkelende winkelende waterdinges dwalen mijn gedachten af.
Stel dat we in een echte duikboot zaten, en 20.000 mijlen onder zee werden aangevallen door een reuzeinktvis. Met een obsessieve kapitein die halsstarrig weigert me te laten gaan. En me hele dagen zeewier laat eten, jekkie. Nee, dan toch maar liever de Disney-Nemo. Zwemmen tussen de surf-dudes schildpadden, Alzheimer-vissen en vegetarische haaien. Hihi. Of tussen de snorkels! Vroeger op de speelplaats wou ik altijd Kitty zijn. Want die All Star vond ik wel een bijzonder hippe en stoere kerel, en heel stiekem was ik er toch een beetje verliefd op. Hoewel, toch misschien een beetje saai die snorkels, het loopt ook altijd goed af bij hen. Ik heb liever iets meer dramatiek.
Marinedrama, dat is de kleine zeemeermin! De kleine zeemeermin wilde op het land leven om bij haar prins te kunnen zijn. Zou ik in de zee willen leven voor een knappe zeemeerman? Zo’n stoere zeebink die alle gevaren van de waterwereld trotseert lijkt me wel wat. En dan neem ik een zingende rode krab als huisdier. Plots krijg ik een flashback van een vriendje dat kuste als een vis. Iekes. Dag fantasie. Nee, groot gelijk had die Ariel. Geef mij ook maar een knappe landman. Eentje die lekker kan kussen.
Vrijdagavond. Behoorlijk moe kom ik thuis van Guadeloupe, twee uur later dan voorzien door de vertragingen van mijn favoriete luchtvaartmaatschappij Air Caraibes. Na al dat wachten tussen krijsende kinderen, door mekaar geschud te zijn op het veel te kleine vliegtuig, en me nog maar eens doodgeërgerd te hebben aan die eindeloze files, voel ik me alsof de hele ark van Noa over me heen is gelopen. Maar nu, thuis. Eindelijk. Rust. Ik doe de voordeur open, steek het licht aan en… Geen licht. Tiens, wat vreemd. Ik probeer het licht van het terras, maar dat doet het ook niet. Omdat de electriciteit hier op Martinique regelmatig wel eens durft uitvallen, inspecteer ik het electriciteitskastje dat gelukkig vlak naast de voordeur hangt. Alles lijkt in orde, maar toch zet ik de hoofdschakelaar een aantal keer aan en uit – je weet maar nooit. Niks, geen licht en geen lawaai van de koelkast. Merde! De koelkast! En de diepvriezer! Snel begeef ik me naar de keuken en ik ben er nog niet geraakt of … SPLETSJ … ik sta in een grote plas water.
Gezien het late uur, durf ik niet meer naar mijn huisbaas te bellen, maar ik doe het toch (dit is een noodgeval, niet?). En wat blijkt? We waren vergeten het contract van de electriciteitsmaatschappij over te zetten op mijn naam, dus had hij het maar eenzijdig opgezegd. Zonder me te verwittigen weliswaar. Dat was ie vergeten. Vergeten? “Meneer, ik zit zonder electriciteit en mijn keuken staat onder water!” “Hmm, ja vervelend”, zegt ie, dus hij geeft me het noodnummer van de electriciteitsmaatschappij, zodat ik ze kan bellen en vragen om alvast voor het weekend de electriciteit terug aan te sluiten.
Dus ik bel. Gelukkig neemt er iemand op. Heel vriendelijk en beleefd leg ik de ongelukkige situatie uit, en zeg dat ik maandag onmiddellijk naar hun kantoor zal komen om een nieuw contract af te sluiten, en of jullie dan nu misschien het knopje terug kunnen aanzetten? Alsjeblieft? Enkele seconden stilte.
“Brandt het?”, vraagt de man plots. “Wàt?” “Of het brandt bij u thuis mevrouw?” “Euuuh, moest het hier branden, denkt u dan niet dat ik de brandweer zou bellen, en niet u?” “Mevrouw, wij mogen enkel iets doen in geval van brand of een natuurramp.” “Jamaar meneer, zonder electriciteit kan ik mijn haar niet wassen en drogen, geloof me, dat IS een natuurramp!” “Het spijt me mevrouw, maar ik kan niks voor u doen. Een prettig weekend verder.” Nog voor ik iets kan antwoorden heeft hij ingehaakt. En prettig weekend… Hoe durft hij, nog een beetje sarcastisch zijn ook.
Ik sta perplex en weet even niet wat doen. Denk na. Denk na. Ok, first things first. Kaarsen! Ik heb kaarsen nodig. Die vind ik gelukkig snel. Dan, koelkast en diepvriezer, die moeten leeg. Redden wat er nog te redden valt. Gelukkig heb ik vlak in de buurt vrienden wonen. Een beetje verveeld bel ik ze op, en vraag of ze misschien nog een plaatsje in hun vriezer hebben. Het is geen probleem, ik mag onmiddellijk komen. Snel laad ik heel de boel in zakken en sta ik klaar om te vertrekken. Wacht, de kaarsen nog uitblazen! Straks vliegt de boel nog in de fik (hmmm, idee, kan ik die man terugbellen, misschien is hij dan wél bereid om me te helpen).
Anne-Claude en Pierre zijn geweldig. Ze ontvangen me met open armen, laden vliegensvlug al mijn spullen in hun vriezer, en geven me dan een punch coco om de boel door te spoelen, die we samen op het terras opdrinken. Een beetje pips kijk ik hen aan, en plots barsten we alle drie in lachen uit. Quelle histoire! Eentje om te onthouden! En we vertellen verhalen, over Martinique, over Frankrijk en over België. Over de ironie, over hoe ik soms kou heb geleden in België toen we nog geen verwarming hadden, en over hoe ik hier nu zal liggen puffen omdat de airco niet werkt… Een beetje melancholisch drink ik het laatste druppeltje rum op, en sta recht.
Even later ben ik weer thuis. Wat donker. En stil. En koud. Vreemd, hoe het bij meer dan 30 graden toch zo kil kan zijn. Snel kruip ik in bed, en steek nog snel een aantal kaarsjes aan. (Om nog een beetje te lezen - Hector Malot lijkt me wel gepast). Best romantisch eigenlijk, al die kaarsjes. Hoewel… Ik blaas de kaarsjes een voor een weer uit.
En voor het eerst voel ik me plots heel erg alleen.
Een van mijn vele hobby’s is lezen. Als kind al verslond ik boeken. Elke week gingen we naar de bibliotheek en mocht ik vijf stuks (het maximum) uitkiezen, en die moesten uiteraard allemaal uit, zoniet mocht ik de week erop geen vijf nieuwe meenemen (stel je voor!). Die leesverslaving is altijd gebleven, en daar ik geen televisie heb, lees ik hier extra veel.
Om mijn kennis van het Frans een beetje te verbeteren en vooral te verrijken, verplicht ik me er regelmatig toe ook franstalige lectuur ter hand te nemen. Aangezien ik mezelf niet meteen Baudelaire en Houellebecq in hun oorspronkelijke taal zie lezen, ben ik maar begonnen met het iets lichtere genre: de plaatselijke mode- en roddelblaadjes. Zo sla ik twee vliegen in één klap. Mijn Frans gaat er niet alleen op vooruit, ik ben ook meteen op de hoogte van de laatste roddels en kan zo meepraten op kantoor.
De artikels frissen alle stereotypen nog eens op. Mannen zijn stoere binken met stoppelbaarden en een zwoele blik die alle vrouwen in zwijm doen vallen, en vrouwen hersenloze wezens die hun dagen vullen met naar de kapper gaan, nieuwe crèmes uitproberen en shoppen. Net alsof wij vrouwen aan niks anders kunnen denken dan cosmetica en schoenen. (Ik zou nochtans een paar nieuwe pumps kunnen gebruiken, voor bij die gebloemde jurk die ik onlangs kocht, en een bijpassende handtas zou ook niet misstaan...) En het is geweldig hoe die troep verkoopt. Ik koop ze uiteraard alleen maar voor educatieve doeleinden, maar hier is echt iedereen er verzot op.
Uiterlijk en voorkomen zijn voor de Antillianen dan ook ontzettend belangrijk. Velen onder hen lijken zo weggelopen uit een van die boekjes. Lopend door de straten van Fort de France kijk ik geïntrigeerd naar al deze creaturen. De vrouwen zijn magnifiek coquette. Ze trippelen rond op hoge hakken, dragen kleurrijke mini-rokjes en diepe décolleté’s. Hun lange rastavlechtjes dragen ze op alle mogelijke manieren, en maken er soms ware kunstwerken mee. Het geheel is overgoten met allerlei franjes en vooral veel bling-bling. Elk detail is zorgvuldig uitgekozen. Plaatjes zijn het, stuk voor stuk, en ik krijg er maar niet genoeg van naar hen te kijken.
De mannen zijn lachwekkend macho: gespierd, vol tattoo’s, open hemd, gouden kettingen, baggy broek en een pet die pal bovenop hun hoofd staat alsof ze er een tweede brein onder verbergen. Het lijken wel kruisingen tussen the Prince of Bel Air en BA. Doodserieus lopen ze met stoere tred (een beetje door de knieën gebogen, zoals dat hoort) op elkaar af, mekaar begroetend met de nodige “yo’s” en “ça va’s” en de daarbij horende gebaren.
En dan komen ze samen. De ontknoping. Want dat is waar het ten slotte allemaal om draait, de andere sekse. De mannen schudden alle mogelijke clichés uit hun mouw, met een charme waar zelfs de Italianen stil van zouden worden. En de vrouwen, die spelen het spel gewillig en zeer overtuigend mee. Om dan even later giechelend door te lopen, niet ver, want daar staat de volgende scène alweer op hen te wachten.
Misschien geen shouwburgen hier op Martinique, wel straattheater à volonté. En ik geniet met volle teugen.
Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een grote dierenvriend ben. Een zoogdierenvriend welteverstaan – reptielen en amfibieën vind ik redelijk eng, (en vooral heel lelijk), insecten zijn vies en meestal knap vervelend, en vissen… Wel vissen zijn gewoon saai. Maar zoogdieren… Zoogdieren zijn geweldig. Niet alleen zijn ze heel erg lief en vriendelijk, ze zijn bovendien ontzettend gezellig. Ok, ik zou ook niet graag oog in oog zou staan met een leeuw of een tijger, maar geef toe dat ze er op National Geographic ontzettend knuffelachtig uitzien. Zoals elk jong meisje, was ik vroeger (en eigenlijk nog steeds) gek op paarden. Geen dier is zo sierlijk en stijlvol als een paard dat rondhuppelt in de wei en zelfs wanneer het kuren heeft, is het prachtig om naar te kijken. De laatste jaren heb ik ook een voorliefde ontwikkeld voor vogels, en dan vooral voor eenden. Niks is gezelliger dan ‘s avonds op het dek van onze boot te zitten en te luisteren naar het nachtelijk gesnater van de eenden.
Mijn persoonlijke nummer één is echter de kat, met in het bijzonder mijn eigen dikke rosse sammiekat. Niet alleen zijn katten ontzettend zelfstandig, ze hebben bovendien een “je m’en fous”-gehalte om jaloers op te zijn. Ze kunnen naar je kijken met een blik vol minachting, en je doen voelen als een tiener die door haar eerste lief wordt afgewezen. Mijn eigen kat moet qua attitude niet onderdoen, hoewel ze waarschijnlijk een pak minder zelfstandig is dan ze zelf denkt. Met haar ruime 7 kilo is het beest, buiten rotverwend, ook veel te vadsig en log om aan eigen voedselvoorziening te doen. Heel soms, wanneer ze denkt dat niemand het ziet, springt ze als een jonge poes achter de vlinders aan, maar gewoonlijk is ze veel te traag om er eentje te vangen. Af en toe komt ze wel eens terug met een muis of een duif, maar wegens gebrek aan verwondingen bij het slachtoffer, verdenk ik mijn kat ervan, de van ouderdom doodgevallen dieren op te rapen langs de kant van de weg, en mee te brengen naar huis in de hoop op die manier haar status als angstwekkend roofdier hoog te houden. Jammer dat ik onze dikkerd niet heb kunnen meenemen – het zou ongetwijfeld lachen geweest zijn.
Er is nochtans één dier waar ik iets minder affectie voor voel, en dat zijn geiten. Let op, vanop een afstand vind ik ze er wel grappig uitzien (en best smakelijk eigenlijk), maar door de jaren heen heb ik een heuse geitenfobie ontwikkeld. Het is allemaal begonnen toen ik als peuter met mijn ouders een bezoekje bracht aan de kinderboerderij. Helemaal verrukt door al die viervoetige wezens, wilde ik er zo dicht mogelijk bijkomen. De geit die tegenover me stond, liet zich aanvankelijk gewillig aaien, maar vanaf ik mijn rug draaide at het verdraaide beest mijn paardenstaartje op. Enkele jaren later was ik dit voorval al weer vergeten, en bij een volgend bezoek aan de kinderboerderij, begaf ik me, zij het met iets minder enthousiasme, opnieuw onder de geiten. Enkele kwamen vriendelijk aan mijn trui snuffelen, maar plots kwam de oppergeit met vaste tred op me af om me met haar hoorns een heuse stomp in mijn buik te geven. Sindsdien hou ik niet meer van geiten.
Nu, je zal denken, geen probleem toch, waar kom je tegenwoordig nog geiten tegen? Wel, het lot wil dat er van tijd tot tijd een geit mijn pad kruist. Enkele jaren geleden waren Yves en ik op vakantie in Turkije. Na drie weken rond te hebben getrokken in het binnenland, zonder ook maar één wilde geit tegen te komen, plakten we er nog een aantal daagjes zee aan. Op een bepaald moment was ik enkele ogenblikken alleen op het strand, toen er plotseling een geit op me afkwam. Mijn eerste reactie was uiteraard verbazing: “Waar komt dat beest in godsnaam vandaan?” Hoe dichter de geit naderde, hoe zenuwachtiger ik echter werd. Net toen de killergeit dreigend haar tanden liet zien, kwam daar gelukkig mijn held aan, en verjoeg de geit, zoals het helden nu eenmaal betaamt, in een mum van tijd.
En het lot zou natuurlijk het lot niet zijn, moest ik ook hier op Martinique geen aanvaring hebben met mijn meest gevreesde dier op aarde. Tijdens een bezoek aan de ‘Habitation Clément’, was ik met mijn plannetje aan het ronddwalen door de tuin. Er stond aangegeven dat als je een klein ommetje maakte, je ook nog de oude molen kon bezoeken, die zodus iets verderop stond. Vol goeie moed ging ik op pad, door de tuin, langs de rietsuikervelden, een heuvel op. Na een poosje wandelen, kwam het in me op dat ik wel eens verkeerd zou kunnen gelopen zijn, en ging in de schaduw van een aantal bomen staan om mijn plannetje nog eens te bestuderen. Plots hoorde ik in de niet zo verre verte een geit mekkeren. En nog een. En een derde. Ik keek op. Daar stonden ze, met hun drieën, bovenaan de heuvel. Ze keken naar me en ik keek terug. Nog voor ik het goed en wel besefte, sprongen de satan-lookalikes vooruit en kwamen op me afgestormd. Een seconde lang verstijfde ik (“Niet weer!” kreunend in mezelf) en zette het op een lopen. Ik rende alsof mijn leven er van af hing (en dat deed het ook!) helemaal de heuvel af. In de verte aanschouwden enkele toeristen het tafereel met lichte verbazing. Het verhaal is gelukkig goed afgelopen (de geiten bleken niet zozeer in mij geinteresseerd te zijn, als wel in nog een vierde geit, die ik niet had opgemerkt, en onderaan de heuvel stond), maar het had toch weeral niet veel gescheeld.
Toen ik diezelfde avond thuiskwam, uitgeput en uitgehongerd van al dat rennen, plofte ik in de zetel. Met een glaasje witte wijn, en een aantal toastjes. Mèt geitenkaas. Lekker.