Het is een prachige dag. Een dag zonder een wolkje aan de hemel, de zon schijnt volop. Acht uur ‘s ochtends en al ruim 28 graden. Ik heb vrienden op bezoek, en we willen iets leuks doen. De auto in, op naar het zuiden, vandaag gaan we bootje varen. Een zeilboot deze keer, beter nog, een catamaran.
Samen met nog een tiental andere vaarlustigen, stappen we aan boord van de ‘Elphis’, een parmantig schip met blauwe en witte zeilen. De kapitein is een zongebruinde man, met door het zoute water verweerde handen (en scheve tanden, maar dat nemen we erbij). Na een korte introductie, met enkele veiligheidsinstructies en de dagplanning, vaart hij ons de jachthaven van le François uit. Iedereen heeft er zin in.
Na een poosje varen, zet de schipper plots de motor uit, en laat nu alle zeilen op. Onmiddellijk vindt de wind haar weg, en duwt de boot met een ruk vooruit. Iedereen wordt er even stil van. We luisteren, ruiken, proeven. De zilte zeelucht, de schuimende golven die tegen de romp aanklotsen, het deinen op de stroming. We worden gedragen op de toppen van water, alsof we bijna gewichtsloos zijn, om dan weer met vrije val, in te beuken op de zee, die ons telkens weer met zekerheid en een onverwoestbare kracht opvangt.
En zo varen we, met ons bootje, naar verre landen, en voorbij de blanke stranden. We zien kleine onbewoonde eilandjes, sommigen met een enkel huisje. Af en toe houden we halt voor een duik in het heerlijke, bijna lauwe water. Het water is bovendien zo helder, dat we een school vissen meters onder onze voeten kunnen zien voorbij zwemmen. De omschrijving azuurblauwe zee is zonder twijfel hier uitgevonden.
We eten aan boord, reuzegarnalen en verse vis, nippen aan onze bekertjes koele rosé-wijn. We zwemmen, en varen weer verder, op naar de volgende horizon. Ver boven de boot vliegt een frégate, zwevend door de lucht, cirkelend op zoek naar iets lekkers, of gewoon genietend van zijn vrijheid.
Samen met nog een tiental andere vaarlustigen, stappen we aan boord van de ‘Elphis’, een parmantig schip met blauwe en witte zeilen. De kapitein is een zongebruinde man, met door het zoute water verweerde handen (en scheve tanden, maar dat nemen we erbij). Na een korte introductie, met enkele veiligheidsinstructies en de dagplanning, vaart hij ons de jachthaven van le François uit. Iedereen heeft er zin in.Na een poosje varen, zet de schipper plots de motor uit, en laat nu alle zeilen op. Onmiddellijk vindt de wind haar weg, en duwt de boot met een ruk vooruit. Iedereen wordt er even stil van. We luisteren, ruiken, proeven. De zilte zeelucht, de schuimende golven die tegen de romp aanklotsen, het deinen op de stroming. We worden gedragen op de toppen van water, alsof we bijna gewichtsloos zijn, om dan weer met vrije val, in te beuken op de zee, die ons telkens weer met zekerheid en een onverwoestbare kracht opvangt.
En zo varen we, met ons bootje, naar verre landen, en voorbij de blanke stranden. We zien kleine onbewoonde eilandjes, sommigen met een enkel huisje. Af en toe houden we halt voor een duik in het heerlijke, bijna lauwe water. Het water is bovendien zo helder, dat we een school vissen meters onder onze voeten kunnen zien voorbij zwemmen. De omschrijving azuurblauwe zee is zonder twijfel hier uitgevonden.
We eten aan boord, reuzegarnalen en verse vis, nippen aan onze bekertjes koele rosé-wijn. We zwemmen, en varen weer verder, op naar de volgende horizon. Ver boven de boot vliegt een frégate, zwevend door de lucht, cirkelend op zoek naar iets lekkers, of gewoon genietend van zijn vrijheid.
Nog een laatste plons in het water, en dan het signaal dat de aftocht blaast. Iedereen weer aan boord. En daar lig ik dan. Op mijn buik, op de trampoline van de catamaran. Turend naar de golven, de vissen die voorbij zwemmen. De zwoele middagzon legt een warme gloed op mijn rug. In de verte is de haven alweer in zicht. Maar nu nog even niet. Nog even voel ik me als God op Martinique.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten