maandag 18 augustus 2008

Le règne animal

Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een grote dierenvriend ben. Een zoogdierenvriend welteverstaan – reptielen en amfibieën vind ik redelijk eng, (en vooral heel lelijk), insecten zijn vies en meestal knap vervelend, en vissen… Wel vissen zijn gewoon saai. Maar zoogdieren… Zoogdieren zijn geweldig. Niet alleen zijn ze heel erg lief en vriendelijk, ze zijn bovendien ontzettend gezellig. Ok, ik zou ook niet graag oog in oog zou staan met een leeuw of een tijger, maar geef toe dat ze er op National Geographic ontzettend knuffelachtig uitzien. Zoals elk jong meisje, was ik vroeger (en eigenlijk nog steeds) gek op paarden. Geen dier is zo sierlijk en stijlvol als een paard dat rondhuppelt in de wei en zelfs wanneer het kuren heeft, is het prachtig om naar te kijken. De laatste jaren heb ik ook een voorliefde ontwikkeld voor vogels, en dan vooral voor eenden. Niks is gezelliger dan ‘s avonds op het dek van onze boot te zitten en te luisteren naar het nachtelijk gesnater van de eenden.

Mijn persoonlijke nummer één is echter de kat, met in het bijzonder mijn eigen dikke rosse sammiekat. Niet alleen zijn katten ontzettend zelfstandig, ze hebben bovendien een “je m’en fous”-gehalte om jaloers op te zijn. Ze kunnen naar je kijken met een blik vol minachting, en je doen voelen als een tiener die door haar eerste lief wordt afgewezen. Mijn eigen kat moet qua attitude niet onderdoen, hoewel ze waarschijnlijk een pak minder zelfstandig is dan ze zelf denkt. Met haar ruime 7 kilo is het beest, buiten rotverwend, ook veel te vadsig en log om aan eigen voedselvoorziening te doen. Heel soms, wanneer ze denkt dat niemand het ziet, springt ze als een jonge poes achter de vlinders aan, maar gewoonlijk is ze veel te traag om er eentje te vangen. Af en toe komt ze wel eens terug met een muis of een duif, maar wegens gebrek aan verwondingen bij het slachtoffer, verdenk ik mijn kat ervan, de van ouderdom doodgevallen dieren op te rapen langs de kant van de weg, en mee te brengen naar huis in de hoop op die manier haar status als angstwekkend roofdier hoog te houden. Jammer dat ik onze dikkerd niet heb kunnen meenemen – het zou ongetwijfeld lachen geweest zijn.

Er is nochtans één dier waar ik iets minder affectie voor voel, en dat zijn geiten. Let op, vanop een afstand vind ik ze er wel grappig uitzien (en best smakelijk eigenlijk), maar door de jaren heen heb ik een heuse geitenfobie ontwikkeld. Het is allemaal begonnen toen ik als peuter met mijn ouders een bezoekje bracht aan de kinderboerderij. Helemaal verrukt door al die viervoetige wezens, wilde ik er zo dicht mogelijk bijkomen. De geit die tegenover me stond, liet zich aanvankelijk gewillig aaien, maar vanaf ik mijn rug draaide at het verdraaide beest mijn paardenstaartje op. Enkele jaren later was ik dit voorval al weer vergeten, en bij een volgend bezoek aan de kinderboerderij, begaf ik me, zij het met iets minder enthousiasme, opnieuw onder de geiten. Enkele kwamen vriendelijk aan mijn trui snuffelen, maar plots kwam de oppergeit met vaste tred op me af om me met haar hoorns een heuse stomp in mijn buik te geven. Sindsdien hou ik niet meer van geiten.

Nu, je zal denken, geen probleem toch, waar kom je tegenwoordig nog geiten tegen? Wel, het lot wil dat er van tijd tot tijd een geit mijn pad kruist. Enkele jaren geleden waren Yves en ik op vakantie in Turkije. Na drie weken rond te hebben getrokken in het binnenland, zonder ook maar één wilde geit tegen te komen, plakten we er nog een aantal daagjes zee aan. Op een bepaald moment was ik enkele ogenblikken alleen op het strand, toen er plotseling een geit op me afkwam. Mijn eerste reactie was uiteraard verbazing: “Waar komt dat beest in godsnaam vandaan?” Hoe dichter de geit naderde, hoe zenuwachtiger ik echter werd. Net toen de killergeit dreigend haar tanden liet zien, kwam daar gelukkig mijn held aan, en verjoeg de geit, zoals het helden nu eenmaal betaamt, in een mum van tijd.

En het lot zou natuurlijk het lot niet zijn, moest ik ook hier op Martinique geen aanvaring hebben met mijn meest gevreesde dier op aarde. Tijdens een bezoek aan de ‘Habitation Clément’, was ik met mijn plannetje aan het ronddwalen door de tuin. Er stond aangegeven dat als je een klein ommetje maakte, je ook nog de oude molen kon bezoeken, die zodus iets verderop stond. Vol goeie moed ging ik op pad, door de tuin, langs de rietsuikervelden, een heuvel op. Na een poosje wandelen, kwam het in me op dat ik wel eens verkeerd zou kunnen gelopen zijn, en ging in de schaduw van een aantal bomen staan om mijn plannetje nog eens te bestuderen. Plots hoorde ik in de niet zo verre verte een geit mekkeren. En nog een. En een derde. Ik keek op. Daar stonden ze, met hun drieën, bovenaan de heuvel. Ze keken naar me en ik keek terug. Nog voor ik het goed en wel besefte, sprongen de satan-lookalikes vooruit en kwamen op me afgestormd. Een seconde lang verstijfde ik (“Niet weer!” kreunend in mezelf) en zette het op een lopen. Ik rende alsof mijn leven er van af hing (en dat deed het ook!) helemaal de heuvel af. In de verte aanschouwden enkele toeristen het tafereel met lichte verbazing. Het verhaal is gelukkig goed afgelopen (de geiten bleken niet zozeer in mij geinteresseerd te zijn, als wel in nog een vierde geit, die ik niet had opgemerkt, en onderaan de heuvel stond), maar het had toch weeral niet veel gescheeld.

Toen ik diezelfde avond thuiskwam, uitgeput en uitgehongerd van al dat rennen, plofte ik in de zetel. Met een glaasje witte wijn, en een aantal toastjes. Mèt geitenkaas. Lekker.


1 opmerking:

Le p'tit prince zei

Stel je voor dat ze telkens een geit zouden slachten als ze geitenkaas maken. Een beetje melken (hop hop hop hop) en KAP die kop eraf! GEDAAN MET DAT GEMEKKER! héhéhé.
Die rolmops weegt toch geen 7 kilo meer!? Verlatingsangst vreet energie denk ik. Een goeie 4 nu waarschijnlijk. Ik heb ze gisteren nog wat koppies gegeven voor je (enfin, zij mij eigenlijk, maar je begrijpt wat ik bedoel). Zo, ik smeer 'em, maar niet met geitenkaas. MOEHAHA!